“Druk in Leuven”

maart 26, 2009

De stad is compleet belegerd. Waterkanon in de Bondgenotenlaan, oproerpolitie overal, geen enkele bus die rijdt, horecazaken die angstvallig hun deur dichthouden en uitgestorven straten waar op een paar nieuwsgierigen na niemand zijn kop naar buiten durft steken. En dat allemaal voor dit schorem:

optocht der ideale schoonzonen.
optocht der ideale schoonzonen.

Ja hoor, het NSV hield haar jaarlijkse carnavalsstoet weer in Leuven, en de hele stad zal het geweten hebben. Een bonte, vlaggenwapperende collectie van een vijfhonderdtal man, waar idioten van elke slag een delegatie naar toegestuurd hadden: de grijsgek(l)akte NSV’ers, VB-kamerleden, skinheads, de Oostendse nazi’s van het N-SA, Groot-Dietsers en één enkele Vlaams-Nationalist die er oud genoeg uitzag om die ene glorieuze dag in ‘40 zich levendig te kunnen herinneren. Wat een circus. En dat waren dan nog niet eens de enigen die een slag van de molen hadden gekregen: de anti-NSVbetoging was  een al even grote freak show, een compleet overbodig initiatief dat randdebielen als het NSV net legitimeert door ze tot een soort bedreiging voor onze maatschappij te verheffen. Bende clowns. En dan zal het deze nacht hoogstwaarschijnlijk nog harder stuiven, als anarchistische krakers en de rechtse Falange mekaar in de straten proberen te vinden. Konden ze het niet ergens in het Zoniënwoud gaan uitvechten? Of in het Koning Boudewijnstadion. De kaartjes zouden verkopen als warme broodjes. Jammer genoeg besluit men Leuven, die schone, te gijzelen, en moet de politie de rest van de nacht met een helicopter boven de stad cirkelen. Mijn enkel glas trilt ervan. Grr. Net nu ik mijn slaap nodig heb.

NP: Grizzly Bear – Yellow House. ‘t Is dat, of een moord begaan.


Finale – A Pipe Dream And A Promise

maart 22, 2009

finale

Er zijn niet veel platen waar ik in 2009 naar uitkijk. Tuurlijk, er is de nieuwe Mastodon die een dezer op de rekken belandt, er is Raekwon die het nog eens probeert met een deel II voor zijn legendarische Only Built 4 Cuban Linx (waar ik stiekem toch nieuwsgierig naar ben, gezien de gedropte songs RULEN), Grizzly Bears nieuwe ziet in mei het levenslicht, en eerder waren er Merriweather Post Pavilion (een ge-wel-dige plaat!) en Working On A Dream (teleurstellend), maar voor de rest verwacht ik bitter weinig van dit jaar. En toch. Op 7 april valt dit (naar alle verwachtingen) pareltje in de VS te beluisteren in de betere, door hipster bemande platenwinkel. En ik kan haast niet wachten.

Wie is Finale? Een rapper uit het verloederde Detroit, een stad die steeds meer op een urban jungle begint te lijken, een uitgestorven industriestad met meer leegstand dan mensen, maar die de laatste jaren een verdomd sterke undergroundscène heeft aangekweekt. De tijdelijke focus op de stad die er kwam met het Eminem-effect (die dit jaar trouwens ook zijn carriere uit het slop probeert te halen met eindelijk een nieuwe plaat; ik verwacht geen nieuwe Marshall Mathers LP) is al enkele jaren uitgewerkt, en de tragische dood van productiegenie J Dilla en schietpartij die Proof (D12) het leven kostte, hebben de scene zeker geen goed gedaan. Maar Detroit blijft vanuit haar underground kwaliteit de buitenwereld insturen: producer/rapper Black Milk nam de rol van vlaggenschip over, en bracht in 2 jaar evenveel heerlijke platen uit die bol stonden van bijzonder goed geproduceerde hip-hop, beats die evenveel leenden van avant-gardejazz als Nu-soul en het clubcircuit, en nummers met meer haken dan een viswerf.

Waarom moet men rekening houden met Finale? Drie redenen. Eén: de productie belooft uitzonderlijk te zijn, met J Dilla, Flying Lotus (een neefje van Alice Coltrane), Nottz en Black Milk achter de knopjes. Twee: in een tijd dat hip-hop na enkele vette jaren (ik denk aan Madvillain, El-P, Aesop Rock ea.) die gangsta-clichés van eind jaren negentig doorbraken terug in het slop dreigt te geraken, is een frisse wind wel nodig. Lil’ Wayne lijkt zijn aanstekelijke gestoordheid nu in te ruilen voor voltijdse idiotie door met een ROCKALBUM af te komen (ik ben serieus. Zoek single “Prom Queen” maar op, en huiver), Kanye heeft tegenwoordig meer met zingen/bleiren in een autotuner en modelijnen dan met, ja, goeie dingen, The Roots zijn huisband van talkshowhost Jimmy Fallon geworden, Aesop Rock zuigt, Jay-Z is ook niet meer wat het geweest is, Dälek stelde met Gutter Tactics dit jaar teleur, Clipse’s laatste dateert alweer van 2006 en El-P’s I’ll Sleep When Your Dead van 2007, en de enigen die vorig jaar in mainstream hip-hop iets echt goed lieten horen, haalden de mosterd bij Seinfeld (Wale’s The Mixtape About Nothing) of dachten in 1988 te leven (The Cool Kids’ Bake Sale EP). Ik koester daarom ook stiekem de hoop dat Finale schoon schip kan maken en hip-hop een broodnodige Grote Stap Voorwaarts kan doen beleven. En drie: zo te horen is de man niet tevreden met half werk. De single “Motor Music” is al goed rondgegaan op het web, en er mag gezegd worden dat het dik in orde is. Dit is hip-hop zoals het zou moeten zijn: een stevige beat die zowel in de club als in de vuige binnenstad past, goede raps, schuifelende percussie, een memorabele hook en lichte electronische toets die Black Milks Tronic al domineerde. In essentie alles wat een hip-hopplaat geweldig maakt, ingeplant in de 21ste eeuw. 

Conclusie? Kom maar snel met die plaat. ’t Is nodig.

 Myspace: staat naast “Motor Music” ook een megamix van het opkomende album te beluisteren.


De koffietafel kan nog wachten…

maart 1, 2009
Veel volk.

"Veel volk."

Nee, ik ben niet dood. Ja, ik ben nog altijd een even ambetante klier. En ja, je reviendra.

Dit is altijd een blog van “comebacks” geweest: sporadische posts, idiote lijstjes, een hoop gezever, en vooral niets. Ruis. Radiostilte. Sorry daarvoor, maar ik heb nu eenmaal een leven te leiden. En dit stuk digitale schroothoop is de laatste maanden niet echt een prioriteit geweest. Een hoop persoonlijke zever, computerproblemen, examens, Barcelona, van domste naar beste excuus. Komt nog bij: als ik tegen een muur wil praten, dan zijn er genoeg in het echte leven te vinden.

Mais nomdedieu, je reviendra.

Ooit.

Samenvatting: ik leef. Slaap maar op beide oortjes.


I’ll update when I feel like it, cocksucker!

september 19, 2008

Sorry voor de vertraging. Ik ben momenteel volop met andere dingen bezig: kot betrekken, artikels schrijven voor Goddeau, op mijn dikke reet in de zetel zitten. The usual.


De Jaren Zeventig volgens Miles Behind (1)

september 10, 2008

Het heeft ontzettend veel voeten in de aarde gehad, met onnoemelijk veel wijzigingen en last-minuteontdekkingen, maar nu kan ik hem eindelijk presenteren: mijn jaren zeventig-lijstje! Het geheel is van 20 platen aangedikt tot honderd, en elke week zal ik er weer tien opsmijten, met hun albumcover, een kort verhaaltje en eventuele geluidssamples voor “de mensen”, kwestie van het interactief te houden. Commentaar is gewenst, beter nog, gevraagd. Eigen lijstjes maken wordt aangemoedigd! En om er onmiddellijk in te vliegen, Zal ik het hier kort houden. Enjoy!

* Waarom?: Het waarom van lijstjesmaken wordt wel meer in vraag gesteld. Eigenlijk is het compleet nutteloos, maar toch doe ik het ontzettend graag. Uit een onbedwingbare drang? Niet echt. Geen echte beweegreden dus, gewoon zelfvermaak waar andere mensen hopelijk ook iets aan hebben.

* Wat?: Met een decennium zo uitgebreid en diepgaand als dat van de seventies, is het nogal moeilijk om een allesomvattend lijstje te creëren. Ik heb mij dan ook laten leiden door mijn eigen smaak, in de hoop een ietwat atypisch overzicht weer te geven. Maar het resultaat is eigenlijk veel conservatiever dan verwacht; mensen die mij iets beter kennen, kunnen de top 30 zo inbeelden, en er staan zelfs albums en groepen in die ik tot voor kort alleen maar in Rolling Stone-bladen en consorten zag opduiken. Hopelijk kan ik af en toe toch wel met mijn keuzes verrassen.

* De slachtoffers: Zelfs als 100 albums een hoop is, het is nog altijd een heel arbitrair cijfer. Er zijn dan ook een hoop albums die uit de boot vallen. Ik denk aan Jean-Michel Jarre, The Adverts, Magazine, Amon Düül II, John Cales Island-trilogie, half Brazilië, Nigeria en Duitsland, en heel Jamaïca. Genres als disco, dub en de meeste progrock werden schandelijk over het hoofd gezien, en terwijl sommige artiesten er zowat elk van hun albums in konden krijgen (daarvoor kijk ik naar Elvis Costello, The Stooges, en nog een paar met meerdere meesterwerkjes in het lijstje), was er voor andere genieën amper 1 plaatsje veil.

* Bewust geweerd: Marvin Gaye (saai), het meeste van Led Zeppelin (OWWWW oww OWWWW BAAAAABY, OWWWWW OWW OWWW YEEEEAAAAAH!), Joni Mitchell (mekkergeit), The Wall (er wordt al genoeg gewankt in de wereld), London Calling, en Never Mind The Bollocks… Here Are The Sex Pistols. Bon, we vliegen erin!

100. Alice Cooper – Love It To Death (1971)

En geen betere manier om de boel af te trappen met een brok onvervalste Rock ‘n’ Roll uit de Motor City, bakermat van all things kicking ass in the early Seventies. En Alice Coopers doorbraakplaat past zeker in dat hoekje: Love It To Death is een geïnspireerde trap in de kloten, een oproep aan alle hangjongeren en werkschuw tuig om serieus wat stennis te gaan schoppen. Het was de plaat die de voormalige Jim Morrison-protégé, mede dankzij de controversiële albumcover (daardoor de eerste Shock Rockplaat?), optilde tot een stadionfactor waar rekening mee gehouden moest worden. En terecht: elk nummer is een anthem en rockt een fameus eind weg, vastzittend in die onweerstaanbare garageboogiemodus. Er kan maar één conclusie zijn; zolang ik het nog zingen kan: “I’m eighteen and I like it!”

“Hallowed Be My Name”

99. Harry Nilsson – Nilsson Schmilsson (1971)

Een ingrijpende wijziging net voor het ter perse gaan: het nog altijd geweldige 801 Live moest er onverbiddelijk uit toen opgemerkt werd dat Nilsson Schmilsson door de mazen van het net geglipt was. Hoe kan een livealbum van een eenmalig samenkomend progrockensemble (in ‘76 dan ook nog! Schande!) het immers winnen van één van de beste popplaten van het decennium? Want zo mag Schmilsson gerust genoemd worden: beter vind je je post-Revolverpop haast nergens, van een rasmuzikant die met pakweg het opzwepende “Gotta Get Up” en de pure brok Rock ‘n’ Roll “Jump Into The Fire” de keet in vuur en vlam zet, om het vuur erna te blussen met iets vertederends als “The Moonbeam Song”. Maar van een artiest die zijn grootheid toonde met interpretaties van andermans werk, gaande van een Randy Newman-coverplaat tot het scoren van zijn eerste hit met een versie van Fred Neils “Everybody’s Talkin’”, zijn het uiteraard de drie covers die met alle aandacht gaan lopen; “Early In The Morning” swingt als een tiet, en zijn interpretatie van het potige Badfingernummer “Without You” deed het veranderen in een wrange zelfmoordballad die de man in de geschiedenisboeken katapulteerde. Volkomen terecht.

“Gotta Get Up”

98. XTC – Drums And Wires (1979)

 

Drums And Wires mocht gerust een verrassing heten na twee héél matige, om niet te zeggen rotslechte, postpunkplaatjes. Plots was XTC immers geen verloren zaak meer, maar een opwindend New Wave-bandje met een immens poppotentieel, glooiend onder het stekelige oppervlak. “Making Plans For Nigel” werd de hit, maar Andy Partridge en Colin Moulding weten met hun dan al goed ontwikkeld gevoel voor melodie nummers als “Helicopter” en “Day In Day Out” te veranderen in echte hoogvliegers. XTC op zijn scherpst dus, hoopvol kijkend naar de prachtige, in “Ten Feet Tall” aangehaalde toekomst, zonder de “drums and wires” onmiddellijk te verstoten. Soms kan de gulden middenweg de scherpste resultaten opleveren.

“Helicopter”

97. Milton Nascimento & Lô Borges – Clube Da Esquina (1972)

1972 was een extreem vruchtbaar jaar voor Brazilaanse muziek, een jaar vol muzikale wonders in een land dat zich pas verlost had van een rechtse militaire dictatuur en zijn oude Tropicàlia-helden uit ballingschap zag terugkeren naar de bakermat. Een culturele revival leek onvermijdelijk: psychedelische samba met inheemse folktoetsen was het resultaat. Daarbij kreeg de staat Bahia met zijn Tropicalisto’s (goed volk als Gilberto Gil en Caetano Veloso) steevast alle lof toebedeeld, en ook de geweldige Chico Buarque uit Rio de Janeiro werd met Construçao een echte held. De provincie die tussen beiden gebieden lag, Minas Gerais, wordt in dat hele verhaal een beetje over het hoofd gezien. En toch: in haar hoofdstad Belo Horizonte zou in ‘63 een jonge Milton Nascimento, die er werk kwam zoeken, in de “Clube Da Esquina” of “Corner Club” met een hoop gelijkgezinden muzikale geschiedenis schrijven, zelfs terwijl andere muzikanten eind ‘69 andere oorden opzochten omdat het hen te heet onder de voeten werd. Het resultaat, de verzamelaar Clube Da Esquina, is misschien wel dé ultieme Brazilië-plaat, een sprankelende mix van Beatlespop, klassiek, jazz en psychedelisch experiment met een traditie van samba en bossa nova, een plaat die 21 nummers lang ingetogen, melancholische maar vooral meesterlijke pop tentoonspreidt zonder ooit maar een moment te vervelen. Beginnen met Braziliaanse muziek is moeilijk; Clube Da Esquina is zeker voor ons Angelsaksischgerichte Europeanen een grandiose intrede door de vergulde voorpoort van een rijke muzikale leefwereld.

“Me Deixa Em Paz”

96. The Residents – Eskimo (1979)

The Residents zijn een conceptband, geen liedjesband: het geluid is belangrijker dan de melodie, het beeld en de vormgeving misschien nog meer. Dat zo’n non-groep zich dan ook in deze Top 100 nestelt mag bijgevolg opmerkelijk heten. En toch weer niet: Eskimo is immers, naast The Third Reich ‘n’ Roll en The Commercial Album, hun meest opwindende en misschien wel eens best uitgevoerde idee. Opgevat als een muzikale etnografie van de Inuït hoort men in elk nummer een gebeurtenis in het leven van de stam: de walvisjacht met de kano, een geboorte, een begrafenis,… Sonisch resulteert dat in een bevreemdend geheel van winterse soundscapes uit tribale geluiden, noise als wervelwinden, klaagzangen en walvisgeluiden die uit synthesizers komen gewaaid. En al mag Eskimo dan geen wervelend popplaatje zijn om de grote kuis op te doen, het blijft verdomd interessant om naar te luisteren.

“The Walrus Hunt”

95. Herbie Hancock – Sextant (1973)

 

Als er één plaat is waarmee Herbie Hancock herinnerd zal worden, is het zijn toegankelijke fusionplaat Head Hunters. Die haalde de lijst echter niet, terwijl dit experimenteel album uit hetzelfde jaar er net insloop. Moeilijkdoenerij? Niet echt. Sextant is namelijk een opwindende brok jazz, een plaat die kookt, vibreert en smelt tegelijk, een hypnotiserende mix van tribale ritmes, vroeg-electronisch experiment en zwaar funkende fusion. Vooral de A-kant, met bevreemdend prijsbeest “Rain Dance”, dat Bitches Brew  koppelt aan futuristische synthesizers, en de funky spacetrip “Hidden Shadows” , bestaat uit niets anders dan twintig minuten essentiële jazzgeschiedenis. Als u me met deze keuze in de top 100 een elitair broekventje vindt, dan hebt u misschien wel eens gelijk. Maar geef Sextant toch maar eens een kans; u ontdekt misschien een energieke brok muziek in een genre waar u ooit over gezworen had nooit naar te luisteren.

“Rain Dance”

94. David Bowie – Station To Station (1976)

Enter de Thin White Duke, een holle, amorele zombie, een aristocratische maniak. Het is het laatste grote albumdragende personage dat David Bowie zou vertolken, en het is uitgegroeid tot mijn favoriet: gevoed door een obsessie met het occulte en een vrachtlading cocaïne, en geïnspireerd door zijn buitenaards vreemde rol in The Man Who Fell To Earth, stort de grootste kameleon in rockgeschiedenis zich in een nieuwe wereld, zwevend tussen de Blue-Eyed Soul van Young Americans en de Krautrock 2.0 van Low. En net dan is Bowie het interessantste, als hij op een kruispunt staat en een nieuwe richting ingaapt; terwijl het titelnummer voortdendert als een sneltrein tussen een robotische, feedbackgevulde Neu!-groove als vertrekpunt en een heroïsch bleke glamrockfinale als aankomsthalte, zwelpt “Golden Years” voorbij in een waas van wit poeder, en rockt “TVC15” ontstellend hard. Het maakt van Station To Station niet alleen een uitstekend document om de junk genaamd Bowie medio jaren zeventig beter te snappen, maar ook een opwindende cocktail van funk en krautrock die verplichte kost zou moeten zijn voor elke muziekfanaat.

“Golden Years”

93. Elvis Costello – Armed Forces (1979)

Armed Forces mag dan wel klinken als een achteruitgang na het hemelse This Year’s Model, dat is het in geen geval. Integendeel; met “Accidents Will Happen”, “Senior Service” en “Oliver’s Army” heeft het het beste openingstrio dat de heer Costello ooit op plaat smeet, een 8:18 minuten durende staalkaart van hoe pop in de hemel moet klinken, onverwoestbaar door de tand des tijds, wat vooral “Oliver’s Army” bewees door zowat Costello’s bekendste nummer te worden. Wat erop volgt, komt nog niet eens aan de enkels van het openingstrio, maar nergens valt de heerlijke new wave-rollercoasterrit echt stil, en nummers als “Moods For Moderns” en “Goon Squad” behoren tot het beste wat de popsmid ooit neergepend heeft. Armed Forces is dan misschien wel de minst straffe van zijn eerste drie platen, Costello kon op een slechtere manier die hattrick besluiten.

“Oliver’s Army”

92. V/A – No New York (1978)

Als er één iemand dit hele decennium verpersoonlijkt, dan is het wel Brian Eno: eerst de extravagante glamalien die Roxy Music mee hielp schapen, daarna voortrekker van de Art Rock met zijn vier soloplaten, vervolgens architect van het David Bowie-geluid en peetvader van de ambient. Maar vooral ook als producer met een neus voor nieuwe openingen in het muzikale spectrum: Devo, Talking Heads, en deze compilatie No New York, die als geen ander de radicale herdefiniëring van kunst, cultuur en de punkbeweging op zich door enkele kwade New Yorkse jongeren weet te vatten. De stroming was er resoluut geen, en was samen met zijn bands al lang dood voor men er de term No Wave op kon plakken, iets wat het tot op de dag van vandaag zo fris doet klinken. Het geheel is luid, gevuld met hoekige, atonale gitaarpartijen en stuiterende drums, gedrenkt in feedback en ruis, en met tonnen nihilistische attitude; een grotere “Fuck You” naar de maatschappij waar dit kunstenaarscollectief zich vanaf keerde kon niet gemaakt worden. En al rammelt het muzikaal soms toch iets teveel (van de vier groepen die songs leverden zijn het toch vooral die van punkjazzterroristen James Chance & The Contortions die boven de bijdragen van DNA, Mars en Teenage Jesus & The Jerks uitstijgen), het blijft een heerlijke brok noiserocklawijt om naar te luisteren, duidelijk niet ingespeeld door mensen die met hun instrumenten overweg kunnen, maar vooral met veel passie, branie en ballen gebracht. No Wave blijft als culturele stroming onwaarschijnlijk interessant; omdat ik er niet bij heb kunnen zijn, is het makkelijk troost te vinden in No New York.

“James Chance & The Contortions – Dish It Out”

91. The Fall – Dragnet (1979)

“Hier ist’em weer met zen gezaag over The Fall”. Sorry, maar mijn favoriete groep aller tijden kan en mag niet ontbreken, en zelfs al namen ze hun strafste werk pas in de jaren ‘80 op, dit blijft verplichte kost. Samen met het uit hetzelfde jaar stammende debuut, Live At The Witch Trials, toont het de band en zijn roots, als een rommelige, aan repetitie en Beefheart verslaafde punkband met een hang naar demente carnavalkeyboards en toonloos gebral. Dat klinkt niet echt positief, maar geloof me maar: het is heerlijk om te luisteren. Een jaar later zou gitarist Graig Scanlon op Grotesque de groep mee doen uitgroeien tot de ontembare stier die enkel Mark E Smith in het zadel laat, maar hier zijn het nog een hoop snotneuzen uit Salford die zichzelf van een immens je m’en foutisme bedienen en lekker hun ding doen; “northern white crap that talks back!”, zoals Smith het zo mooi verwoordde . Een essentiële Fall-plaat, quoi, en daarom ook meer dan welkom in dit lijstje. De belachelijk goeie singles “Rowche Rumble” en “Fiery Jack” krijgt u er tegenwoordig gratis en voor niets bij op de heruitgaves, en graai Witch Trials inderhaast ook maar mee. Nog altijd niet overtuigd, fuckface? Uit mijn zicht dan!

“Dice Man”

Volgende keer: alle hoeken van de wereld in tien platen, als ik van 90 naar 81 ga. Tot dan?


Boodschap van algemeen nut

augustus 21, 2008

Nee, ik geef er niet de brui aan. De echte reden voor het sluimerbestaan van deze blog is nu gelukkig niet meer van tel: herexamen. Ja, ik had er maar eentje, maar wat een modderfokker van een cursus. Afgrijselijk. Ik kom hier snel de stand van zaken melden:

* Tussen het verbeteren van papers en het door wanhoop gedreven tegen de muren smijten van vuistdikke cursussen ben ik begot ook nog een dagje naar de Hasseltse Costa, Kiewit, geweest om van muziekjes en consorten te genieten op Pukkelpop. Al bij al een goeie dag, met een leuke Lidell, een intense National, een verschroeiend Neurosis, een IJslands Sigur Ros, een Bloc Party zonder Regi Pinxten en een schabouwelijk Manic Street Preachers. Verwacht hier geen verslag, daar is het toch al wat te laat voor.

* Over Bloc Party gesproken: die deden een “keirevolutionaire stunt ofzo” door gisteren Intimacy, hun derde plaat, digitaal op de mensheid los te laten. Met het risico een kater met overgewicht in een zak te kopen heb ik hem dan maar op niet-legale manier gedownload, en ben nu bezig aan een paar luisterbeurten. Verwacht daarvan de Milesbehind-behandeling zeer binnenkort.

* Secretly Belgian is van adres veranderd, en is nu hier te vinden. Verheug de lieve man op zijn veel te mooie site met een bezoekje.

* Ik heb een paar grotere, maar nog steeds even nutteloze, artikels en projectjes voor deze blog in de steigers staan. Enkele lijstjes, een artikel over Brazilië en zijn muziek (Lieven Verstraeten was bezet), een wekelijks afzeikmoment van de bekenderen der aarde, een gastcolumn van medium en beursspecialist Jomanda en een decenniumterugblikvoorbereiding zijn dan ook aan de planning toegevoegd. Aan u om uit te maken of hier überhaupt iets van aan is.

* Move along now!

NP: Jorge Ben – Africa Brazil


Communistisch tuig

augustus 6, 2008

Vroeger:

Nu:

“Vandaag nemen we de stad in, morgen het land, overmorgen de wereld”? Lenin is gereïncarneerd in drie dartele huppelkutten.


GZA presents Liquid Swords

juli 25, 2008

Afspraak 10 november in de AB voor een “Duel of the Iron Mic”: The GZA die zijn meesterwerk, misschien wel eens de beste plaat uit de hele Wu-saga, Liquid Swords, ten berde zal brengen. Ik heb een klein beetje in mijn broek gedaan bij het horen van het nieuws.


Dour

juli 23, 2008

Sinds maandag terug van het uiterst gezellige Dourfestival, en ik moet zeggen: I had a mighty good time! De Dourmaagd die ik was, had ik een beetje schrik voor de apocalyptische zwijnenstal die het festival vorig jaar uiteindelijk bleek te zijn, maar het terrein is groter gemaakt en de weergoden waren ons gunstig gezind. Met chef (mvs) heb ik mij rot geamuseerd, net als met de mensen van Wannabes. Enig nadeel was de calvarietocht naar de medewerkerscamping, maar kom, daar heb ik al genoeg over gezaagd.

Muziek dan! Deze twintigste editie leek gezien de affiche een dikke stinker te worden, vooral vanwege de concurrentie van Pitchfork en het Summercase Music Festival in Spanje als het gaat om headliners, en dan gaf de groep waar ik eigenlijk voor ging, The Mighty Fall Gruppe, verstek. Maar kijk, we hebben ons muzikaal extreem goed vermaakt. Er staat al een uitgebreid verslag op Goddeau met de vijftien opmerkelijkste concerten, maar hier toch even een overzicht van wat allemaal bijgebleven is.

TÊTE DE LA COURSE:

1. Zu/Dälek: mijn bakkes viel letterlijk open. Wat een ketellawijt! Een organische geluidsorkaan, een ferme entrecot op de muil. Voor mij het beste concert van deze Dour.

2. Tortoise: Post-rock leefde voor een uurtje weer. Ik had echt serieuze twijfels over dit concert, en met ferme tegenzin ben ik gaan kijken. Maar verdorie, goed dat het was! Perfect op elkaar ingespeeld leverden de fossielen uit Chicago een sprankelende, bruisende set, vol van percussie, opwindende klanktapijten en een toefje rechttoe rechtaanrock. Dit is nog steeds geweldige jazz voor mentaal gestoorden.

3. Oxbow: Nog zo’n concert dat gezien moest worden om te geloven. Het was zowat mijn eerste keer dat ik in aanraking kwam met hun muziek, wat de impact van de tierende voodoopriester Eugene Robinson er niet minder op maakte. Geweldig.

4. Battles: We kennen het truukje ondertussen allemaal, maar het blijft gewoon indrukwekkend om te aanschouwen hoe bijvoorbeeld John Stanier lustig op die metershoge cimbaal blijft meppen. En raar genoeg, ze hadden het publiek volledig mee. Een surrealistisch volksfeest van jewelste.

5. Wu-Tang Clan: Raar maar waar. Nog zo’n concert waar ik tegenop zag, maar uiteindelijk zeer over te spreken was. Een soort van Greatest Hits-set, met veel materiaal uit onovertroffen debuut Enter The Wu-Tang (36 Chambers), veel energie en volksmennerij. De whigger in mij wakkerde weer even aan, en mijn Wu-handgebaar stak een vol uur in de lucht.

DE ACHTERVOLGERS:

- Subtle: Zeer freaky hip-hop (ik tracht het woord avant-hop te schuwen). Frontman Adam Drucker tierde over het podium als in een manische bui, en rapte zo snel dat er gewonden vielen. Muzikaal ook lekker trippen.

- Future Of The Left: Heel goed. Bij momenten ziedend, dan weer vervelend, maar nooit echt slecht. Eén versnelling hoger en ze waren op het podium geëindigd.

- Fujiya & Miyagi: Leuk en funky, deze elektronische krautpop. Ik was vergeten hoe goed hun plaat Transparent Things (2006) wel niet is.

- Eli “Paperboy” Reed: Een blanke die soul brengt, ik zag de bui al hangen. Maar voorwaar, het was plezant; het is geen Jamie Lidell, maar komt toch heel dicht in de buurt.

- Madrugada: Wow, nog een aangename verrassing. Stevig, dramatisch, en steengoed optreden. Ik zou The Deep End nog eens moeten opleggen, eigenlijk. Misschien zie ik dan eindelijk het licht.

- Goldfrapp: Ze moet eens afleren om op tijd te komen en af en toe eens wat minder etherisch te neuzelen, maar goed was het niettemin. Jammer dat het weer tegenstak. “Train” blijft een bom.

- Beans, Flying Lotus en Black Moon: Drie keer hip-hop, drie keer anders, drie keer steengoed. Buckshot van Black Moon de award voor “beste MC van het festival”, Flying Lotus kaapt de prijs weg in de categorie “beste DJ”, Beans verliest in de “rhymesnelheid”-categorie nipt van Adam Drucker.

- Steak Number Eight: De derde keer, en ook de beste. Met of zonder gebroken pols van de drummer.

- Earth: Dylan Carslon hoort niet thuis op een festival, maar het was toch weer eventjes trippen geblazen.

- Harvey Milk: Wat een lillende kwak sludge!

- Woven Hand: Goed, maar niet geweldig. David Eugene Edwards stelde niet echt teleur, maar ik zat nadien toch een beetje op mijn honger.

HET PELOTON:

Ultraphallus, Ellen Allien, Foals, Ice Cube (“Aajsblokjeuh!”), The Whitest Boy Alive, Why?, Bonde Do Role, Quit Your Dayjob, Enon

ARRIERE DE LA COURSE:

Ratatat, Pinback, The Meat Puppets

DE BEZEMWAGEN:

Chrome Hoof, The Teenagers, Zenzile, Agnostic Front, Raxinasky

 

Oh, en Mark E Smith: fuck you.

NP: Tortoise :: Millions Now Living Will Never Die


De grote kieskringshow

juli 14, 2008

Ik leuter niet graag over politiek. Ook nu twijfel ik of het hier thuishoort, maar het komt mij letterlijk de strot uit hoezeer de machtsspelletjes rond één kieskring geleid hebben tot zo’n crisis. Dit land lijkt, door het opbod van beloften aan de kiezer, het op spits drijven van die kiezer door balkanblaadjes als De Standaard en overijverige Vlaams-Nationalisten/De Bende van Maingain, en een hoop imcomptetentie en machtshonger een zinkend schip te zijn geworden. En wat valt daaraan te doen? Ga je proberen jezelf vast te klampen aan de krakende mast, of ga je met een rubberbootje je kans wagen in de immense, dode oceaan?

Ik heb schrik voor de toekomst. En tegelijk kan het mij ook totaal niet bommen. Fuck them. De Tour was mooi vandaag.