Het heeft ontzettend veel voeten in de aarde gehad, met onnoemelijk veel wijzigingen en last-minuteontdekkingen, maar nu kan ik hem eindelijk presenteren: mijn jaren zeventig-lijstje! Het geheel is van 20 platen aangedikt tot honderd, en elke week zal ik er weer tien opsmijten, met hun albumcover, een kort verhaaltje en eventuele geluidssamples voor “de mensen”, kwestie van het interactief te houden. Commentaar is gewenst, beter nog, gevraagd. Eigen lijstjes maken wordt aangemoedigd! En om er onmiddellijk in te vliegen, Zal ik het hier kort houden. Enjoy!
* Waarom?: Het waarom van lijstjesmaken wordt wel meer in vraag gesteld. Eigenlijk is het compleet nutteloos, maar toch doe ik het ontzettend graag. Uit een onbedwingbare drang? Niet echt. Geen echte beweegreden dus, gewoon zelfvermaak waar andere mensen hopelijk ook iets aan hebben.
* Wat?: Met een decennium zo uitgebreid en diepgaand als dat van de seventies, is het nogal moeilijk om een allesomvattend lijstje te creëren. Ik heb mij dan ook laten leiden door mijn eigen smaak, in de hoop een ietwat atypisch overzicht weer te geven. Maar het resultaat is eigenlijk veel conservatiever dan verwacht; mensen die mij iets beter kennen, kunnen de top 30 zo inbeelden, en er staan zelfs albums en groepen in die ik tot voor kort alleen maar in Rolling Stone-bladen en consorten zag opduiken. Hopelijk kan ik af en toe toch wel met mijn keuzes verrassen.
* De slachtoffers: Zelfs als 100 albums een hoop is, het is nog altijd een heel arbitrair cijfer. Er zijn dan ook een hoop albums die uit de boot vallen. Ik denk aan Jean-Michel Jarre, The Adverts, Magazine, Amon Düül II, John Cales Island-trilogie, half Brazilië, Nigeria en Duitsland, en heel Jamaïca. Genres als disco, dub en de meeste progrock werden schandelijk over het hoofd gezien, en terwijl sommige artiesten er zowat elk van hun albums in konden krijgen (daarvoor kijk ik naar Elvis Costello, The Stooges, en nog een paar met meerdere meesterwerkjes in het lijstje), was er voor andere genieën amper 1 plaatsje veil.
* Bewust geweerd: Marvin Gaye (saai), het meeste van Led Zeppelin (OWWWW oww OWWWW BAAAAABY, OWWWWW OWW OWWW YEEEEAAAAAH!), Joni Mitchell (mekkergeit), The Wall (er wordt al genoeg gewankt in de wereld), London Calling, en Never Mind The Bollocks… Here Are The Sex Pistols. Bon, we vliegen erin!
100. Alice Cooper – Love It To Death (1971)

En geen betere manier om de boel af te trappen met een brok onvervalste Rock ‘n’ Roll uit de Motor City, bakermat van all things kicking ass in the early Seventies. En Alice Coopers doorbraakplaat past zeker in dat hoekje: Love It To Death is een geïnspireerde trap in de kloten, een oproep aan alle hangjongeren en werkschuw tuig om serieus wat stennis te gaan schoppen. Het was de plaat die de voormalige Jim Morrison-protégé, mede dankzij de controversiële albumcover (daardoor de eerste Shock Rockplaat?), optilde tot een stadionfactor waar rekening mee gehouden moest worden. En terecht: elk nummer is een anthem en rockt een fameus eind weg, vastzittend in die onweerstaanbare garageboogiemodus. Er kan maar één conclusie zijn; zolang ik het nog zingen kan: “I’m eighteen and I like it!”
“Hallowed Be My Name”
99. Harry Nilsson – Nilsson Schmilsson (1971)

Een ingrijpende wijziging net voor het ter perse gaan: het nog altijd geweldige 801 Live moest er onverbiddelijk uit toen opgemerkt werd dat Nilsson Schmilsson door de mazen van het net geglipt was. Hoe kan een livealbum van een eenmalig samenkomend progrockensemble (in ‘76 dan ook nog! Schande!) het immers winnen van één van de beste popplaten van het decennium? Want zo mag Schmilsson gerust genoemd worden: beter vind je je post-Revolverpop haast nergens, van een rasmuzikant die met pakweg het opzwepende “Gotta Get Up” en de pure brok Rock ‘n’ Roll “Jump Into The Fire” de keet in vuur en vlam zet, om het vuur erna te blussen met iets vertederends als “The Moonbeam Song”. Maar van een artiest die zijn grootheid toonde met interpretaties van andermans werk, gaande van een Randy Newman-coverplaat tot het scoren van zijn eerste hit met een versie van Fred Neils “Everybody’s Talkin’”, zijn het uiteraard de drie covers die met alle aandacht gaan lopen; “Early In The Morning” swingt als een tiet, en zijn interpretatie van het potige Badfingernummer “Without You” deed het veranderen in een wrange zelfmoordballad die de man in de geschiedenisboeken katapulteerde. Volkomen terecht.
“Gotta Get Up”
98. XTC – Drums And Wires (1979)

Drums And Wires mocht gerust een verrassing heten na twee héél matige, om niet te zeggen rotslechte, postpunkplaatjes. Plots was XTC immers geen verloren zaak meer, maar een opwindend New Wave-bandje met een immens poppotentieel, glooiend onder het stekelige oppervlak. “Making Plans For Nigel” werd de hit, maar Andy Partridge en Colin Moulding weten met hun dan al goed ontwikkeld gevoel voor melodie nummers als “Helicopter” en “Day In Day Out” te veranderen in echte hoogvliegers. XTC op zijn scherpst dus, hoopvol kijkend naar de prachtige, in “Ten Feet Tall” aangehaalde toekomst, zonder de “drums and wires” onmiddellijk te verstoten. Soms kan de gulden middenweg de scherpste resultaten opleveren.
“Helicopter”
97. Milton Nascimento & Lô Borges – Clube Da Esquina (1972)

1972 was een extreem vruchtbaar jaar voor Brazilaanse muziek, een jaar vol muzikale wonders in een land dat zich pas verlost had van een rechtse militaire dictatuur en zijn oude Tropicàlia-helden uit ballingschap zag terugkeren naar de bakermat. Een culturele revival leek onvermijdelijk: psychedelische samba met inheemse folktoetsen was het resultaat. Daarbij kreeg de staat Bahia met zijn Tropicalisto’s (goed volk als Gilberto Gil en Caetano Veloso) steevast alle lof toebedeeld, en ook de geweldige Chico Buarque uit Rio de Janeiro werd met Construçao een echte held. De provincie die tussen beiden gebieden lag, Minas Gerais, wordt in dat hele verhaal een beetje over het hoofd gezien. En toch: in haar hoofdstad Belo Horizonte zou in ‘63 een jonge Milton Nascimento, die er werk kwam zoeken, in de “Clube Da Esquina” of “Corner Club” met een hoop gelijkgezinden muzikale geschiedenis schrijven, zelfs terwijl andere muzikanten eind ‘69 andere oorden opzochten omdat het hen te heet onder de voeten werd. Het resultaat, de verzamelaar Clube Da Esquina, is misschien wel dé ultieme Brazilië-plaat, een sprankelende mix van Beatlespop, klassiek, jazz en psychedelisch experiment met een traditie van samba en bossa nova, een plaat die 21 nummers lang ingetogen, melancholische maar vooral meesterlijke pop tentoonspreidt zonder ooit maar een moment te vervelen. Beginnen met Braziliaanse muziek is moeilijk; Clube Da Esquina is zeker voor ons Angelsaksischgerichte Europeanen een grandiose intrede door de vergulde voorpoort van een rijke muzikale leefwereld.
“Me Deixa Em Paz”
96. The Residents – Eskimo (1979)

The Residents zijn een conceptband, geen liedjesband: het geluid is belangrijker dan de melodie, het beeld en de vormgeving misschien nog meer. Dat zo’n non-groep zich dan ook in deze Top 100 nestelt mag bijgevolg opmerkelijk heten. En toch weer niet: Eskimo is immers, naast The Third Reich ‘n’ Roll en The Commercial Album, hun meest opwindende en misschien wel eens best uitgevoerde idee. Opgevat als een muzikale etnografie van de Inuït hoort men in elk nummer een gebeurtenis in het leven van de stam: de walvisjacht met de kano, een geboorte, een begrafenis,… Sonisch resulteert dat in een bevreemdend geheel van winterse soundscapes uit tribale geluiden, noise als wervelwinden, klaagzangen en walvisgeluiden die uit synthesizers komen gewaaid. En al mag Eskimo dan geen wervelend popplaatje zijn om de grote kuis op te doen, het blijft verdomd interessant om naar te luisteren.
“The Walrus Hunt”
95. Herbie Hancock – Sextant (1973)

Als er één plaat is waarmee Herbie Hancock herinnerd zal worden, is het zijn toegankelijke fusionplaat Head Hunters. Die haalde de lijst echter niet, terwijl dit experimenteel album uit hetzelfde jaar er net insloop. Moeilijkdoenerij? Niet echt. Sextant is namelijk een opwindende brok jazz, een plaat die kookt, vibreert en smelt tegelijk, een hypnotiserende mix van tribale ritmes, vroeg-electronisch experiment en zwaar funkende fusion. Vooral de A-kant, met bevreemdend prijsbeest “Rain Dance”, dat Bitches Brew koppelt aan futuristische synthesizers, en de funky spacetrip “Hidden Shadows” , bestaat uit niets anders dan twintig minuten essentiële jazzgeschiedenis. Als u me met deze keuze in de top 100 een elitair broekventje vindt, dan hebt u misschien wel eens gelijk. Maar geef Sextant toch maar eens een kans; u ontdekt misschien een energieke brok muziek in een genre waar u ooit over gezworen had nooit naar te luisteren.
“Rain Dance”
94. David Bowie – Station To Station (1976)

Enter de Thin White Duke, een holle, amorele zombie, een aristocratische maniak. Het is het laatste grote albumdragende personage dat David Bowie zou vertolken, en het is uitgegroeid tot mijn favoriet: gevoed door een obsessie met het occulte en een vrachtlading cocaïne, en geïnspireerd door zijn buitenaards vreemde rol in The Man Who Fell To Earth, stort de grootste kameleon in rockgeschiedenis zich in een nieuwe wereld, zwevend tussen de Blue-Eyed Soul van Young Americans en de Krautrock 2.0 van Low. En net dan is Bowie het interessantste, als hij op een kruispunt staat en een nieuwe richting ingaapt; terwijl het titelnummer voortdendert als een sneltrein tussen een robotische, feedbackgevulde Neu!-groove als vertrekpunt en een heroïsch bleke glamrockfinale als aankomsthalte, zwelpt “Golden Years” voorbij in een waas van wit poeder, en rockt “TVC15” ontstellend hard. Het maakt van Station To Station niet alleen een uitstekend document om de junk genaamd Bowie medio jaren zeventig beter te snappen, maar ook een opwindende cocktail van funk en krautrock die verplichte kost zou moeten zijn voor elke muziekfanaat.
“Golden Years”
93. Elvis Costello – Armed Forces (1979)

Armed Forces mag dan wel klinken als een achteruitgang na het hemelse This Year’s Model, dat is het in geen geval. Integendeel; met “Accidents Will Happen”, “Senior Service” en “Oliver’s Army” heeft het het beste openingstrio dat de heer Costello ooit op plaat smeet, een 8:18 minuten durende staalkaart van hoe pop in de hemel moet klinken, onverwoestbaar door de tand des tijds, wat vooral “Oliver’s Army” bewees door zowat Costello’s bekendste nummer te worden. Wat erop volgt, komt nog niet eens aan de enkels van het openingstrio, maar nergens valt de heerlijke new wave-rollercoasterrit echt stil, en nummers als “Moods For Moderns” en “Goon Squad” behoren tot het beste wat de popsmid ooit neergepend heeft. Armed Forces is dan misschien wel de minst straffe van zijn eerste drie platen, Costello kon op een slechtere manier die hattrick besluiten.
“Oliver’s Army”
92. V/A – No New York (1978)

Als er één iemand dit hele decennium verpersoonlijkt, dan is het wel Brian Eno: eerst de extravagante glamalien die Roxy Music mee hielp schapen, daarna voortrekker van de Art Rock met zijn vier soloplaten, vervolgens architect van het David Bowie-geluid en peetvader van de ambient. Maar vooral ook als producer met een neus voor nieuwe openingen in het muzikale spectrum: Devo, Talking Heads, en deze compilatie No New York, die als geen ander de radicale herdefiniëring van kunst, cultuur en de punkbeweging op zich door enkele kwade New Yorkse jongeren weet te vatten. De stroming was er resoluut geen, en was samen met zijn bands al lang dood voor men er de term No Wave op kon plakken, iets wat het tot op de dag van vandaag zo fris doet klinken. Het geheel is luid, gevuld met hoekige, atonale gitaarpartijen en stuiterende drums, gedrenkt in feedback en ruis, en met tonnen nihilistische attitude; een grotere “Fuck You” naar de maatschappij waar dit kunstenaarscollectief zich vanaf keerde kon niet gemaakt worden. En al rammelt het muzikaal soms toch iets teveel (van de vier groepen die songs leverden zijn het toch vooral die van punkjazzterroristen James Chance & The Contortions die boven de bijdragen van DNA, Mars en Teenage Jesus & The Jerks uitstijgen), het blijft een heerlijke brok noiserocklawijt om naar te luisteren, duidelijk niet ingespeeld door mensen die met hun instrumenten overweg kunnen, maar vooral met veel passie, branie en ballen gebracht. No Wave blijft als culturele stroming onwaarschijnlijk interessant; omdat ik er niet bij heb kunnen zijn, is het makkelijk troost te vinden in No New York.
“James Chance & The Contortions – Dish It Out”
91. The Fall – Dragnet (1979)

“Hier ist’em weer met zen gezaag over The Fall”. Sorry, maar mijn favoriete groep aller tijden kan en mag niet ontbreken, en zelfs al namen ze hun strafste werk pas in de jaren ‘80 op, dit blijft verplichte kost. Samen met het uit hetzelfde jaar stammende debuut, Live At The Witch Trials, toont het de band en zijn roots, als een rommelige, aan repetitie en Beefheart verslaafde punkband met een hang naar demente carnavalkeyboards en toonloos gebral. Dat klinkt niet echt positief, maar geloof me maar: het is heerlijk om te luisteren. Een jaar later zou gitarist Graig Scanlon op Grotesque de groep mee doen uitgroeien tot de ontembare stier die enkel Mark E Smith in het zadel laat, maar hier zijn het nog een hoop snotneuzen uit Salford die zichzelf van een immens je m’en foutisme bedienen en lekker hun ding doen; “northern white crap that talks back!”, zoals Smith het zo mooi verwoordde . Een essentiële Fall-plaat, quoi, en daarom ook meer dan welkom in dit lijstje. De belachelijk goeie singles “Rowche Rumble” en “Fiery Jack” krijgt u er tegenwoordig gratis en voor niets bij op de heruitgaves, en graai Witch Trials inderhaast ook maar mee. Nog altijd niet overtuigd, fuckface? Uit mijn zicht dan!
“Dice Man”
Volgende keer: alle hoeken van de wereld in tien platen, als ik van 90 naar 81 ga. Tot dan?